Belgische vergoedingsregels inzake reprografie strijdig met het Unierecht (Hvj 12 november 2015-C-572/13)

De Belgische Auteurswet (op heden ingebouwd in titel 5 van boek XI van het Wetboek Economisch Recht) stelt dat het maken van reprografieën, zijnde kopieën in de grafische sector, van bepaalde werken voor bepaalde doeleinden toegestaan is zonder toestemming van de rechthebbende.

In toepassing van de Europese richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, mag deze beperking van de auteursrechten slechts in een aantal bijzondere gevallen worden toegepast en in bepaalde gevallen moeten de rechthebbenden een billijke compensatie ontvangen. In ieder geval mag geen afbreuk worden gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal en mogen de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad.

In omzetting van deze Europese regel stelt de Belgische wet dat de rechthebbenden in bepaalde gevallen een vergoeding ontvangen als tegenprestatie voor deze beperking van hun rechten. De tarieven en de modaliteiten van inning van die vergoeding zijn vastgelegd in een Koninklijk Besluit van 30 oktober 1997 betreffende de vergoeding verschuldigd aan auteurs en uitgevers voor het kopiëren voor privégebruik of didactisch gebruik van werken die op grafische of op soortgelijke wijze zijn vastgelegd. Het Koninklijk Besluit omvat een regeling van een gecombineerd systeem van een forfaitaire vergoeding (vergoeding per kopieerapparaat bij het in de handel brengen) en een evenredige vergoeding (vergoeding per kopie). Reprobel is de beheersvennootschap belast met het innen en verdelen van de reprografievergoeding.

In het kader van een dispuut tussen Hewlett-Packard en  Reprobel over de vergoeding per verkochte  multifunctionele printer, heeft het hof van beroep te Brussel op 23 oktober 2015 enkele prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de interpretatie en rijkweidte van de Europese regels.

Bij arrest van 12 november 2015 heeft het Hof van Justitie deze prejudiciële vragen beantwoord.

Kort samengevat is het Hof van Justitie van oordeel dat de Belgische vergoedingsregels inzake reprografie in strijd zijn met de Europese richtlijn informatiemaatschappij (2001/29/EG) omdat:

Bij de vergoeding d.m.v. billijke compensatie geen onderscheid wordt gemaakt naar de gebruiker en het doel van het gebruik, terwijl de schade die vergoed moet worden voor dat gebruik wel onderscheiden is;

Uitgevers die geen houders zijn van reproductierechten in de zin van artikel 2 van de richtlijn en dus geen schade zouden lijden, toch recht hebben op de vergoeding en dat er zo toe lijdt dat de wettige rechthebbenden geheel of een deel van hun vergoeding verliezen;

Bladmuziek een bijzonder stelsel van beschermd materiaal is en daar in het vergoedingssysteem geen rekening mee wordt gehouden;

Er bij het compensatiemechanisme geen onderscheid wordt gemaakt tussen kopieën uit rechtmatige, dan wel onrechtmatige bronnen;

De forfaitaire vergoeding louter wordt gebaseerd op kopie snelheid, terwijl niet iedereen mag geacht worden het maximum uit een apparaat te halen;

De evenredige vergoeding ten onrechte wordt gebaseerd op het gegeven of de vergoedingsplichtige meewerkt aan de inning terwijl dat niets veranderd aan de schade van de rechthebbende die vergoed moet worden;

Het gecombineerde systeem van forfaitaire en evenredige vergoeding geen terugbetalingsmechanisme omvat.

Met deze zaak gaan niet enkel de financiële belangen van rechthebbenden en bedrijven zoals Hewlett-Packard gepaard. Ook de 'verdoken vorm van naburig recht' van de uitgevers komt in het gedrang. Uitgevers worden nochtans vaak slachtoffer van reproductiepraktijken. Mogelijk zal de Belgische wetgever hieraan tegemoet willen komen door toch een vergoeding voor het eigen nadeel van de uitgevers in te lassen. Als dit in navolging van het besproken arrest nog kan, zal het hoe dan ook  de rechten van de rechthebbenden in toepassing van artikel 2 van de richtlijn niet mogen fnuiken.

Het is nu weer aan het hof van beroep in Brussel om de antwoorden op de door haar gestelde prejudiciële vragen mee te nemen in haar arrest ten gronde. De wetgever staat langs de andere kant voor de  belangrijke taak om het huidige systeem te hervormen conform de richtlijn informatiemaatschappij. Dit wordt dus ongetwijfeld vervolgd.

Auteur: Sofie Tempels - Advocaat

We use cookies to record your language preference and enhance your surfing experience. Know more[OK]