De invloed  van de wetswijzigingen betreffende zakelijke zekerheden op onroerende rechten op de  zekerheidsrechten van onderaannemers.

In navolging van buurlanden Frankrijk en Nederland heeft België recent haar stelsel van zekerheidsrechten gemoderniseerd.

In Nederland gebeurde dit reeds bij invoering van het nieuw Burgerlijk Wetboek in 1992. Vervolgens werd ook in Frankrijk, naar aanleiding van de herdenking van 200 jaar Code Civil, een modernisering van het stelsel der zekerheidsrechten in het vooruitzicht gesteld. De hervorming kreeg uiteindelijk gestalte met de invoering in 2006 van een nieuw Boek IV in de Code Civil, getiteld: 'Des sûretés' .

België kon en mocht als buurland en centraal land binnen Europa, zeker gelet op de Europese harmoniseringsdrang, niet achterblijven. Bijgevolg zag in België op 11 juli 2013 de wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake, het licht. Deze wet is beter gekend als de “Wet roerende zekerheden”.

Met haar artikelen 90 en 91 heeft de nieuwe wet wijzigingen aangebracht die invloed hebben op de zekerheidsrechten van onderaannemers.

Artikel 90 van de Wet roerende zekerheden wijzigt namelijk het artikel 1798 van het Burgerlijk Wetboek inzake de rechtsreekse vordering, door het aan te vullen met volgend extra lid: "In geval van betwisting tussen de onderaannemer en de aannemer, kan de bouwheer het bedrag storten in de Deposito- en Consignatiekas of op een geblokkeerde rekening op naam van de aannemer en onderaannemer bij een financiële instelling. De bouwheer is hiertoe verplicht indien hij hiertoe schriftelijk wordt verzocht door de hoofdaannemer of de onderaannemer."

Dit extra lid is een codificatie van hetgeen in de praktijk al vaker werd gedaan teneinde patstellingen te vermijden. Belangrijker is dat met de doorgevoerde wijziging dit gebruik nu ook verplicht wordt gemaakt in geval van een schriftelijk verzoek daartoe.

Artikel 90 van de Wet roerende zekerheden wijzigt het  artikel 20, 12°, van de Hypotheekwet door de volgende aanpassingen in het 12e punt:  "12° gedurende vijf jaar vanaf de datum van de factuur, de schuldvordering die de metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui en onderaannemers gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd tegenover hun medecontractant-aannemer hebben wegens werken die zij hebben uitgevoerd of laten uitvoeren, op de schuldvordering die deze medecontractant-aannemer wegens dezelfde aanneming heeft tegenover de bouwheer.

De onderaannemer wordt als aannemer en de aannemer als bouwheer beschouwd ten opzichte van de eigen onderaannemers van de eerstgenoemde. De rechtstreekse vordering kan niet meer worden ingesteld na het ontstaan van de samenloop.”

Door de toevoegingen “de metselaars, timmerlieden, arbeiders, vaklui” en “gebezigd bij het oprichten van een gebouw of voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd”, die letterlijk overgenomen zijn uit artikel 1798 Burgerlijk Wetboek inzake de rechtstreekse vordering, geldt het roerend voorrecht van de onderaannemer aldus ook voor andere werken die bij aanneming zijn uitgevoerd, en niet enkel in het geval het aannemingswerken inzake onroerende goederen. Daarmee wordt  het roerend voorrecht op dit punt op gelijke voet gesteld met  de rechtstreekse vordering.

De inwerkingtreding van de Wet roerende zekerheden was initieel voorzien op 1 december 2014, maar aangezien het nieuwe pandregister - een systeem via hetwelk het nieuwe bezitloos pand publiciteit verkrijgt - niet op die datum operationeel was, werd de datum van inwerkingtreding uitgesteld naar 1 januari 2017. Hoewel het al dan niet operationeel zijn van het pandregister geen invloed heeft op de gewijzigde zekerheidsrechten van onderaannemers zoals hierboven beschreven, moeten de ook artikel 90 en 91 voorlopig op hun inwerkingtreding wachten.

Nous utilisons des cookies pour retenir vos préférences de langage et améliorer votre expérience de surf. En savoir plus[OK]